Palenque
In 1746 werd Padre Solis, een Spaanse priester, door zijn
Bisschop op een verkenningstocht naar Santo Domingo de Palenque
gestuurd. De priester was diep onder de indruk van hetgeen hij
vond waar hij al zoveel geruchten over had gehoord: oude resten
die gedeeltelijk door de dichte vegetatie overwoekerd waren. Hij
was de eerste die het bestaan van de ruines meldde bij de
koloniale autoriteiten. Bijna 800 jaar na zijn ondergang.
De trotse bewoners van Palenque noemden
hun stad Lakam Ha (Groot Water) en het koninkrijk Bac
‘Bot’ De stad werd verdeeld door meerdere riviertjes, die
gebruikt werden voor het aanleggen van waterreservoirs en
rioleringen. De belangrijkste van deze riviertjes wordt vandaag de
dag Otulum genoemd en stroomt dwars door de Toktan vallei, het
ceremoniële hart van het koninkrijk. Vaak wordt hierbij het
aquaduct genoemd dat bij de Otulum begint en zich ten oosten van
het paleis bevindt. Dit aquaduct was de enige in zijn soort tot de
komst van de Europeanen. In de Toktan vallei staan de oudste en
belangrijkste gebouwen van de stad.
Het koninkrijk Bac werd gesticht door
K’uk Balam die ‘Heilige Toktan Heerser’ werd genoemd, wat
aangeeft dat hij van oorsprong afkomstig was uit de Toktan
provincie. Volgens de Inscripties van Pakal de Grote en zijn zoon
stichtte K’uk Balam het rijk in 431 n. Chr. Deze inscripties
zijn niet te vinden op de stèles die men in andere steden
aantreft. In Palenque werden de teksten namelijk alleen in reliëfs
op de muren van de gebouwen geschreven.
Na K’uk Balam waren de volgende zes heersers allemaal afstammelingen van de vaderlijke familielijn. Tot op het moment dat Kan Balam I overleed in 583, hij werd namelijk opgevolgd door zijn dochter Dame Ol Ik’nal die voor twintig jaar het rijk zou regeren. Met uitzondering van de mysterieuze Dame van Tikal uit de zesde eeuw was zij tot nu toe de enige vrouw die ooit over een Maya-rijk regeerde. Dat een vrouw de heerschappij over een Maya-Koninkrijk had, werd gezien als een groot onheil. De koningen beschouwden zichzelf als nakomelingen van de goden. Omdat er een vrouw regeerde, werd deze lijn doorbroken. Ook was het een slecht voorteken omdat een vrouw niet dezelfde bloedoffers kon brengen als een man. Juist de bloedoffers van de koning waren zo belangrijk om het evenwicht in de kosmos in stand te houden.
Andere rivaliserende steden waren hiervan
op de hoogte. Op de tempel van de Inscripties staat beschreven,
dat de stad in 599 werd aangevallen door Kalakmul en dat een lid
van de koninklijke familie gevangen werd genomen, het is niet
bekend wie. Na haar regeringsperiode gaf Dame Ol Ik’nal de macht
over aan haar zoon Ah Neh Ol Mat, die via zijn vader (die
overigens niet bekend is) een nieuwe familielijn begon. Na slechts
zeven jaar aan de macht te zijn geweest stierf hij in 612,
waardoor opnieuw een crisis ontstond. Ah Neh Ol Mat had geen
opvolger en dus werd de kroon overgedragen aan de dochter van Ah
Neh Ol Mats broer. Dit was Dame Sak K’uk (Witte Quetzal) en toen
zij met K’an Mo’Hix trouwde werd opnieuw de familielijn
doorbroken.
Nadat
zij drie jaar lang had geregeerd, werd zij in 615 opgevolgd door
haar twaalfjarige zoon Pakal (Schild). Dit was geen
gunstige periode voor Pakal. Hij had een onzekere positie, omdat
de familielijn vlak voor hem tweemaal was onderbroken. Het rijk
werd als gevolg hiervan diverse malen aangevallen door andere
steden, die hiervan probeerden te profiteren. Bonampak voerde in
603 een aanval uit op Palenque en ook in 610, toen Pakal zeven
jaar oud was, werd Palenque aangevallen onder leiding van Pomoná,
die tot in het hart van de stad doordrong. Pakal zou op latere
leeftijd deze gebeurtenissen laten vastleggen in de Tempel van de
Inscripties. In de tekst valt te lezen: ‘De goden zijn verloren,
de koningen zijn verloren’. Hiermee bedoelde hij dat de
koningen in deze periode niet de nodige offers konden brengen aan
de goden, waardoor zij hun steun verloren hadden.
In
zijn eerste regeringsjaren moest Pakal ervoor zorgen dat hij als
de ware opvolger erkend zou worden en hij besloot religie en
politiek te laten samensmelten. Omdat Pakal nog erg jong was, is
het mogelijk dat zijn moeder verantwoordelijk was voor de
overtuigende aanpak. Het belangrijkste argument van Pakals plan
was dat zijn moeder, Dame Sak K’uk, de aardse reïncarnatie was
van de ‘Eerste Moeder’, de moeder van de creatie. Deze vrouw
gaf het leven aan de eerste drie zonen in de Pa-lenque versie van
het scheppingsverhaal. De eerste drie zonen waren de drie
patroongoden van Palenque, de zogenoemde Palenque Triade. De goden
worden door de deskundigen GI, GII en GIII genoemd. GI was Hun
Nal Ye, GII was Nen K’awil en GIII
noemde men K’inich Tah Way.
Er
werden vele bewijzen aangevoerd om aan te tonen dat Dame Sak
K’uk werkelijk de reïncarnatie was van de Eerste Moeder. De
geboortedatums van beide vrouwen werden bijvoorbeeld aan elkaar
verbonden. Hiermee toonde Pakal aan dat hij de directe opvolger
was van de Eerste Moeder op aarde. Het lijkt erop dat de bevolking
de argumenten geloofden, want Pakal de Grote en zijn zoon Kan
Balam II regeerden tijdens het hoogtepunt van Palenque. Ze waren
erin geslaagd om politiek en religie net als hun voorvaderen
succesvol toe te passen.
In het begin had Pakal weinig tijd om
monumenten op te richten: hij moest eerst zorgen dat het land een
stabiele periode tegemoet zou gaan. Toen hij dit eenmaal had
bereikt kon hij beginnen met de uitbreidingen van de stad. Een van
de eerste monumenten die hij liet bouwen was de Templo Olividado
oftewel de Vergeten Tempel.
In de hiërogliefen van Huis C in het Paleis wordt gesproken over een aanval op Yaxchilán in 654 waarbij Balam Te Chac, de vermoedelijke broer van Vogel Jaguar II, door Pakal gevangen werd genomen. Hoewel Vogel Jaguar II toen nog erg jong was, wordt hij in de hiërogliefen wel beschreven als een belangrijk persoon. Hij was waarschijnlijk al aangewezen als toekomstige troonopvolger.
Vanaf dit moment ging Palenque een
periode van voorspoed tegemoet. In 659 vond er een speciale
ontmoeting plaats, die herdacht werd op de Oostelijke Binnenplaats
van het Paleis. De heerser van Tikal, Nun Bak Chak, arriveerde in
Palenque. Waarschijnlijk wegens de aanval van Caracol en Kalakmul,
twee jaar eerder. De steden waren bondgenoten, mogelijk door de
vriendschappelijke banden van Tikal met het legendarische
Teotihuacán. In het laat-Klassiek was Palenque de enige bekende
bondgenoot van Tikal. De aanval op onder andere Yaxchilán maakt
dat goed duidelijk.
Tijdens
de aanwezigheid van Nun Bak Chak nam Pakal wraak op zijn
aartsrivalen in Pomoná. Inscripties maken ons duidelijk dat Pakal
terugkeerde met een aantal gevangenen, zes van deze personen
kwamen daadwerkelijk uit Pomoná. In de inscripties staat ook
vermeld dat Pakal en Nun Bak Chak ‘compagnons’ waren en dat ze
samen vijandelijk tegenover Kalakmul en zijn bondgenoten (zoals
Pomoná) stonden. Door het offeren van de krijgsgevangenen uit
Pomoná werd dit nog eens extra benadrukt.
Dit waren de hoogtepunten uit de
carrière van Pakal. Tegen het eind van zijn leven gaf hij
opdracht tot het vervaardigen van zijn eigen graftombe, de Tempel
van de Inscripties, waarin de prachtige graftombe van de koning
bijna dertienhonderd jaar verborgen zou blijven. Pakal overleed
in 683 op 80-jarige leeftijd. Zijn zoon Kan Balam II zorgde voor
de voltooiing van zijn vaders grafmonument en bleef de stad
succesvol regeren. Kan Balam II liet onder andere de Tempelgroep
van het kruis bouwen.
In 702 volgde K’an Hoy Chitam op 57-jarige leeftijd
zijn broer Kan Balam op. Hij zou slechts voor korte tijd regeren,
want in 711 werd hij gevangen genomen door de vijandelijke stad
Toniná, die meer naar het zuiden lag. De inscripties in Palenque
vertellen niets over deze tragische gebeurtenis, maar op
afbeeldingen in Toniná wordt de koning halfnaakt afgebeeld met op
zijn dij een tekst die aangeeft dat het K’an Hoy Chitam is. De
afbeelding is niet in de stijl van Toniná zelf, maar in de
typerende Palenque stijl. Waarschijnlijk moest Palenque de
kunstenaars leveren die hun eigen vernederde koning moesten
vereeuwigen. Na zijn gevangenneming heeft Kan Hoy Chitam nog een
aantal jaren in gevangenschap geleefd. Volgens de teksten in
Palenque werd de heerschappij pas in 720 overgedragen aan een
nieuwe heerser; men vermoedt dat de oude koning toen pas werd
geofferd.
Na deze onzekere tijden werd Palenque voor iets meer dan een jaar geregeerd door een persoon met de naam Xoc, die werd opgevolgd door Akal Mo’ Nab III. Het lijkt erop dat Palenque na de dood van K’an Hoy Chitam nog enkele welvarende jaren heeft gekend; de geschiedenis van de stadstaat is vanaf dat moment echter moeilijk te volgen. Aan het be-gin van de negende eeuw werden geen monumenten meer opgericht. Een van de beroemdste Maya-steden ooit, verdween langzaam onder het dikke en ondoordringbare regenwoud.
Bouwwerken in Palenque:
Door op de links te klikken kunt u een afbeelding van het bouwwerk bekijken.
De Tempel van de Graaf heeft enkele mooie hiërogliefen bij de ingang. Binnenin zijn drie graven ontdenkt met mooie grafgiften, echter zonder menselijke resten. (foto door: Pascal van der Bend)
Deze naam werd aan dit gebouw gegeven door de eerste ontdekkingsreizigers in de 18de eeuw en archeologen hebben deze naam overgenomen. Het is inderdaad goed voor te stellen dat dit gebouw een koninklijk paleis was. Het lijkt nu echter aannemelijker dat dit voornamelijk een centrum was voor de regering en het uitvoeren van ceremonies.
De vermoedelijke woningen van de heersers lagen aan een heuvel ten oosten van de Otulum rivier. Hier staat een groep woningen van zeer hoge kwaliteit en met een mooi uitzicht.
Het
Witte Steen Huis (White Stone House) in het Paleis lijkt een van
de belangrijkste punten in het gebouw geweest te zijn. Hier bevind
zich de Ovale Paleis Tablet, die de
troonsbestijging van Pakal herdenkt waarbij Lady Sak K’uk haar
zoon de kroon overhandigde. Daaronder zijn de resten van wat ooit
een troon was.
Het Paleis is een complex dat bestaat uit talrijke blokvormige bouwwerken die rond drie binnenhoven gegroepeerd zijn. De grote, vier verdiepingen hoge (vierkante) toren in het midden van het Paleis diende waarschijnlijk als observatorium.
F. Tempel van de Inscripties
In 1949 liep de Mexicaanse archeoloog Alberto Ruz Lhuillier in de Tempel van de Inscripties. Toen hij naar de grond keek zag hij een klein gat in de grond. Hij kwam erachter dat dit was gebruikt om een grote deksteen over een ingang te leggen.
De deksteen werd verwijderd en het uitgraven kon beginnen. De pas ontdekte gang was volledig volgegooid met puin. Het was duidelijk dat er aan de nadere kant iets lag dat men niet makkelijk prijs wilde geven. In het regenseizoen moesten de opgravingen gestaakt worden en het zou in totaal drie jaar duren voordat men er eindelijk achter zou komen war er hier verborgen lag. Onder de basis van de piramide vond hij in 1952 een grote crypte met een hoog schijngewelf als plafond.
In de crypte bevond zich een monolithische sarcofaag, die afgedekt was met een stenen plaats die meer dan vijf ton woog en versierd was met bas-reliëfs en inscripties. De sarcofaag bevatte de resten van de grote koning Hanab Pakal. Op het gezicht van de dode was een prachtig grafmasker gelegd. Het was gemaakt van jade, met ogen van schelpen, parelmoer en obsidiaan. Onder de grafgiften waren twee zeer realistische hoofden van stucwerk, wellicht beeltenissen van Pakal zelf.
De plaat die de sarcofaag afdekte is misschien wel het meest bijzondere voorwerp uit het graf en moet al geplaatst zijn voordat men de 20 m hoge piramide erboven op bouwde.
De afbeelding illustreert de overgang van de koning van het aardse leven naar het hiernamaals. Hij is afgebeeld terwijl hij in de kaken van de onderwereld valt, waar hij een aantal beproevingen moet doorstaan om door te kunnen reizen naar de hemel.
Boven en achter Pakal is de wereldBoom (Wakah-chan, verheven lucht) te zien. Dit was de verbindingsweg waarlangs de overledenen naar de hemel konden reizen. Zijn wortels lagen diep in Xibalba, zijn stam stond in de aardse wereld en zijn takken drongen door tot in het hemelrijk. Tegenwoordig is men ervan overtuigd dat de wereldboom de melkweg symboliseerde.
De vogel boven op de kosmische boom is de nagual van Itzamna (koning van de goden en eerste tovenaar). De Maya noemden deze vogel Itzam-Ye, Itzam-Kah en Mut-Itzam, De aanwezigheid van deze vogel geeft aan dat er de macht was om te toveren en om in trance een reis te maken, Hij maakt van dit graf een Itzam Nah oftewel ‘Tovenaars Huis’.
Over de houding van Pakal is nog iets extra op te merken. Hedendaagse Maya’s gebruiken de positie waarin Pakal afgebeeld staat om aan te geven dat er een jong kindje geboren is. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat de dood van Pakal niet alleen de dood is maar ook een wedergeboorte in het hiernamaals.
Naast de trap die naar de crypte leidt kan men een smalle stenen pijp vinden die bij de ingang eindigt. Vroeger dacht men dat dit een luchtschacht was, nu is men er echter achtergekomen dat dit gemaakt was zodat de ziel van de koning vanuit zijn graf naar de tempel kon reizen om te communiceren met zijn nakomelingen. Tegenwoordig wordt zo’n schacht dan ook wel een ‘psychoduct’ genoemd. Pakal heeft aan het einde van zijn leven zelf opdracht gegeven tot de bouw van zijn graftombe. Het is echter voltooid door zijn zoon Kan Balam.
Deze tempel staat ook bekend als Tempel XII en dankt zijn naam aan de decoratieve schedel van een konijn op de zuil van de toegang. (foto door: Pascal van der Bend)
H. De Tempel van de Rode Koningin
Deze tempel (ook wel Tempel XIII) werd gebouwd op twee reeds bestaande bouwwerken en werd als grafmonument gebouwd. In het graf bevindt zich een grote sarcofaag met de restanten van een circa 40 jarige vrouw. Zij werd begraven met luxe goederen zoals± maskers, kettingen, oorpluggen, armbanden en enkelbandjes. Dit alles was vervaardigd uit meer dan 1000 stukjes jade en schelpen. Omdat er geen hiërogliefen zijn gevonden is het onmogelijk om de identiteit van de vrouw vast te stellen.
De vrouw staat bekend als de Rode Koningin omdat de sarcofaag en de botten beschilderd waren met vermiljoen (die in een later stadium werd aangebracht). Door het aanwezige aardewerk kon vastgesteld worden dat het grafmonument omstreeks 600 - 700 n. Chr. werd gebouwd. (foto door Pascal van der Bend)
Dit gebouw werd gebouwd in 692 en behoort samen met de Tempel van de Zon (690) en de Tempel van het Bladkruis (672) tot de Groep van het Kruis. Ze zijn alledrie gebouwd in opdracht van Kan Balam.
De groep geeft een symbolische reis weer. De Tempel van het Kruis is de eerste fase van de reis en symboliseert de plaats van oorsprong van het bovennatuurlijke en de wereld van de mens. De volgende fase is de reis door de onderwereld waarin de zon in de vorm van een jaguar moet passeren. De laatste fase is in die van de Tempel van het Bladkruis en symboliseert de hergeboorte en vruchtbaarheid van de bovenste lagen van de aarde.
J. Tempel van de Zon
Zie I.
Zie I.
Voorbij de Tempel van de Inscripties kan men op een smal pad de jungle in lopen. Het is slechts een kort stukje naar de Tempel van de Jaguar, maar het lijkt alsof je in een soort verloren wereld staat. De afbeeldingen in de tempel laten een zittende man zien met één been in een lotus houding terwijl de andere naar beneden hangt, langs een schitterende troon die wordt ondersteund door jaguarpoten. Aan beide kanten van de troon steekt de kop van een jaguar uit.
De Vergeten Tempel ligt zo’n 800 meter ten westen van het Paleis en werd ingewijd in 647. Dit was een van de eerste bouwwerken die Pakal de Grote tijdens zijn bewind liet bouwen.
De Tempel van het Hof was ook een zeer vroeg bouwwerk dat in opdracht van Pakal de Grote werd gebouwd en ligt ten noorden van het paleis.