Bonampak


Er gaan vele verhalen de ronde over hoe en wanneer de ruines van Bonampak ontdekt zijn. De ruines lijken nu voor het eerst door westerlingen te zijn bezocht in februari 1946, toen de Lacandon Chan Bol de reizigers Charles Frey en John Bourne hier mee naar toe nam. Later dat jaar bezocht ook Giles Healey (een Amerikaanse filmmaker) de ruines samen met Chan Bol, en trof daarbij de Templo de las Pinturas aan.

Bij het zien van de muurschilderingen besefte Healey direct hoe belangrijk deze vindplaats was en besloot de meest vooraanstaande onderzoekers van de Oude Maya’s in te lichten. Sylvanus Morley doopte de vindplaats in Bonampak, wat ‘beschilderde muren’ betekent in het Yukatek Maya. Tijdens een nieuwe expeditie naar Bonampak in 1949 verdronk Charles Frey toen zijn kano kapseisde.

Halverwege de twintigste eeuw waren de onderzoekers ervan overtuigd dat de Oude Maya’s uit de Klassieke Periode tijdaanbiddende pacifisten waren. Omdat de schilderingen van Bonampak heel duidelijk enkele bloedige oorlogstaferelen en martelingen weergaven, probeerde Sir J. Eric S. Thompson de ingangen tot de beschilderde kamers zelf af te sluiten voor het grote publiek. Het bloed dat uit de handen van gemartelde krijgsgevangenen druipt, zou verf geweest zijn en de oorlogstaferelen waren hooguit ceremoniële dansen. Al snel moest hij echter bekennen dat zijn ideaalbeeld van de Oude Maya’s niet overeenkwam met de werkelijkheid.

Tijdens de hoogtijdagen van de Oude Maya’s was Bonampak slechts een ondergeschikt centrum op circa dertig kilometer van Yaxchilán. Vandaag de dag is het echter een van de meest beroemdste vindplaatsen dankzij de schitterende muurschilderingen. Er zijn nog maar enkele opgravingen gedaan waardoor weinig bekend is over de geschiedenis van Bonampak. Vele ruines liggen nog verborgen in het regenwoud waardoor de omvang van de stad nog niet is vastgesteld. Het centrum van de stad bestaat uit een plein wat begrensd wordt door lage platforms en een grote akropolis waarop de belangrijkste gebouwen staan.

Tijdens de laat-klassieke periode, onder heerschappij van Chan Muwan II, bereikte Bonampak de piek van zijn bestaan. Chan Muwan besteeg de troon in 776 n. Chr. en was degene die opdracht gaf tot het vervaardigen van het artistieke hoogtepunt van Bonampak, de Templo de las Pinturas (Tempel van de Schilderingen). De Tempel van de Schilderingen, ook wel gebouw 1 of Wac Naab (zes zeeën), dateert van 790-792 n. Chr. Ooit was het bouwwerk zowel van binnen als buiten beschilderd, maar van de schilderingen op de buitenmuur is maar weinig bewaard gebleven. Onder de kroonlijst loopt nog een tekstrand die vermoedelijk om het hele gebouw heeft gelopen. De muurschilderingen zijn nooit helemaal voltooid waardoor het aannemelijk is dat de stad vlak na de muurschilderingen werd verlaten. De schilderingen zijn uitgevoerd in secco-techniek, dat wil zeggen dat de schilder op een droge kalklaag heeft gewerkt. Dit in tegenstelling tot een fresco, waarbij in de natte pleister- en/of afwerklaag wordt geschilderd.

Vertrek 1

De Tempel van de Schilderingen is verdeeld in drie vertrekken met elk een aparte ingang. De schilderingen van vertrek 1 zijn verdeeld over horizontale muurvlakken. Het laagste vlak toont een plechtige optocht van muzikanten die trompetten, schildpadschilden en ratels bespelen. In de begeleidende teksten wordt ten minste één van hen als k’ayoom (zanger) aangeduid. Tussen de muzikanten in staan enkele toneelspelers, twee van hen zijn verkleed als balspelers, de anderen als waterdieren zoals een reuzenkrab en een kaaiman. Waterdieren staan symbool voor bewoners van de onderwereld. Omdat twee van deze waterdieren naar een maïskolf kijken is dit hoogstwaarschijnlijk een verwijzing naar de wedergeboorte van de maïsgod zoals die in de Popol Vuh door de heldentweeling (de twee balspelers) weer tot leven werd gewekt. Naast de muzikanten staan edelen met waaiers die naar elkaar gebaren en drie adellijke persoonlijkheden met grote hoofdtooien van veren, één van hen rookt een sigaar. De figuren zijn op halve of op tweederde van de ware grootte afgebeeld. Het vlak daarboven is beschilderd met vele inscripties en enkele zittende leden van de adel. Het derde muurvlak toont de hoogste adellijke families en de goddelijke koning, die een geborduurde lendendoek, een rok van jaguarhuid, een halsketting van jade en een enorme hoofdtooi van quetzalveren draagt. Op een verhoging staat een figuur die de zoon van de heerser vasthoudt. Achter deze figuur zitten een man en een vrouw waarvan wordt aangenomen dat dit Chan Muwan II en zijn echtgenote zijn. Rechts van de troon staat een grote zak met 5 x 8000 cacaobonen, zoals de hiërogliefen op de zak vermelden. De cacaobonen waren een belangrijk ruilmiddel, de zak met cacaobonen diende vermoedelijk als geschenk of belasting. De geboorte van de kroonprins lijkt de aanleiding voor de feestelijkheden en het vervaardigen van deze muurschilderingen. Het bovenste muurvlak is versierd met een reeks godenmaskers.

Vertrek 2

De oostelijke, zuidelijke en westelijke muren van vertrek 2 worden volledig bedekt met oorlogsscènes waarbij de krijgers de meest uiteenlopende kleding en attributen dragen. De koningen van de Oude Maya’s vochten actief mee in de oorlog, zo ook Chan Muwan II, die door middel van zijn uitrusting duidelijk te onderscheiden is van de overige krijgers. De hiërogliefentekst bevat en datum waaruit blijkt dat deze oorlog kort vóór de gebeurtenissen van vertrek 1 plaatsvond. Boven in het westelijk gewelf lijken krijgers een houten kist te beschermen, waarschijnlijk dezelfde kist als onder de troon in vertrek 3. De donkere tinten van de achtergrond duiden erop dat de oorlog zich heeft afgespeeld in het regenwoud, zoals meestal het geval was bij de Oude Maya’s. In deze chaos houdt Chan Muwan II een krijgsgevangene vast aan zijn haren. Naast de heerser staat een krijger met een hoge rang, sommigen vermoeden dat dit de koning van Yaxchilán is, Schild Jaguar III.

Op de noordelijke muur is de oorlog tot een einde gekomen. De edelen hebben zich verzameld rondom de koning. De moeder van de koning en zijn echtgenote (Groen Konijn, een zus van Schild Jaguar III) staan rechts van hem. Verschillende krijgsgevangenen liggen gewond op de trap vóór de koning en smeken om genade, zij lijken hun tanden te zijn kwijtgeraakt. Een trap was de favoriete plaats voor dergelijke gebeurtenissen aangezien de koning dan ver boven de menigte uitstak. De zeven treden tellende trap is vermoedelijk dezelfde als die zich aan de noordkant van het Grote Plein bevindt.

Bij vele krijgsgevangenen zijn de nagels uitgetrokken waardoor zij bloed verliezen, het haar is in een specifiek kapsel gesneden wat hun status als gevangene aangeeft. Direct voor de koning ligt een overleden gevangene van hoge rang, specialisten beschouwen deze afbeelding als het absolute hoogtepunt van de muurschilderkunst bij de Maya’s.

Op de muurvlakken boven in de kamer zijn diverse sterrenbeelden te zien, zoals de Schildpad (Orion). Deze sterrenbeelden voorspelden hoogstwaarschijnlijk de goede afloop van de oorlog. Vertrek 2 bevat een gemetselde troon waaruit op te maken valt dat dit vertrek hoogstwaarschijnlijk als troonzaal diende.

Vertrek 3

De muurschilderingen van Vertrek 3 zijn sterk verweerd. Het thema is echter goed te achterhalen. De muren zijn beschilderd met de feestelijkheden die plaats vonden na de oorlog. Adellijke vrouwen prikken hun tongen door met stekels om bloedoffers te kunnen brengen. De stroken papier die gebruikt worden om hun bloed op te vangen, worden verzameld in een op de troon staande schaal. Een man zit knielend naast de troon om de vrouwen te assisteren. De vrouwen ontfermen zich tevens over een klein kind, vermoedelijk hetzelfde kind als in vertrek 1. Onder de troon bevindt zich de houten kist waar tijdens de gevechten in vertrek 2 om werd gevochten. Wellicht bevat deze kist heilige voorwerpen of voorwerpen die de macht van de overwonnen stad symboliseren.

De heren onder aan de piramide dragen hoofdtooien van quetzalveren en houden driehoekige vaandels beet terwijl zij een dans uitvoeren op het ritme van  de muzikanten die rechts van hen de trompetten en ratelaars bespelen. Tegelijkertijd worden de krijgsgevangenen geofferd aan de goden. Volgens de hiërogliefen zijn de drie hoofddansers op de top van de piramide dezelfde personen als die in vertrek 1. Het verhaal sluit zich af met de in het wit geklede heren die in Vertrek 1 op de noordmuur de vinden waren. Aan de bovenkant van de muren worden tenslotte godenmaskers afgebeeld.

De muurschilderingen vormen het meest indrukwekkende kunstwerk van de Oude Maya’s. Dankzij deze schilderingen weten we hoe de andere stadstaten er ooit uit zagen. Bovendien bieden ze ons een unieke kijk op het leven aan het hof en de manier van oorlogvoering tijdens de Klassieke Periode.


Bouwwerken in Bonampak:

Door op de links te klikken kunt u een afbeelding van het bouwwerk bekijken.

A. Het Grote Plein

Het Grote Plein van Bonampak is een van de grootste in de regio met een oppervlakte van 82 bij 100 meter. Alle belangrijke bouwwerken bevinden zich op het Grote Plein. Al deze bouwwerken hebben hun ingang gericht op het Plein, met uitzondering van Gebouw 15 die zijn ingang richting in tegengestelde richting heeft (het noorden). Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat het plein oorspronkelijk eenderde kleiner was, maar dat op ene gegeven moment een groot deel is bijgebouwd in het noorden. In het midden van het plein bevindt zich de enorme Stèle 1, met daarop een afbeelding van Chan Muwan II.

B. Gebouw 13

C. Gebouw 15

Gebouw 15 bestaat uit een vierkant fundament. Bovenop dit fundament is stèle 7 te vinden die door het weer ernstig is aangetast, op de oostzijde zijn nog amper de contouren van hiërogliefenblokken te zien. Tevens bevond zich op dit fundament een tempel met een rieten dak. De slechte kwaliteit van het kalksteen in deze omgeving heeft er hoogstwaarschijnlijk voor gezorgd dat het merendeel van de bouwwerken een rieten dak hadden. gebouw 15 is het enigste gebouw waarvan de ingang is gericht in tegengestelde richting van het Grote Plein (namelijk het noorden), van alle andere gebouwen is de ingang gericht op het Grote Plein.

D. Gebouw 16

Dit bouwwerk laat duidelijk de typische Bonampak trap zien, met zijn lage versterkingen en grote stenen blokken. Het huidige gebouw bedekt gedeeltelijk twee eerdere bouwwerken, waarvan twee stèles deel uit maakten. Deze steles zijn na de verhogen op het nieuwe bouwwerk geplaatst, wat duidelijk aangeeft dat deze stèles van zeer grote waarde waren voor de bevolking van Bonampak. Jammer genoeg zijn ook deze stèles door het weer zodanig aangetast dat deze niet meer leesbaar zijn.

E. Gebouw 17 en Stèle 5

Gebouw 17 was een van de laatste bouwwerken die op het Grote Plein gebouwd werden. Dit blijkt uit de afwezigheid van oudere bouwwerken in de fundering. Zowel gebouw 17 als gebouw 13 zijn de langste gebouwen van het Grote Plein. De basis van di bouwwerk is 68 meter lang. Gebouw 17 is het enigste gebouw op het plein dat geen grootse trap heeft. De toegang bestaat slechts uit drie treden. Toch leiden deze treden naar Stèle 5. Door zijn hoogte van bijna 5 meter is dit een van de grootste stèles in de Usumacinta regio. Deze stèle is niet bewerkt zoals gebruikelijk was bij de andere stèles, archeologen vermoeden dat de stèle ooit bedekt was met een beschilderd stucco-relief wat in de loop der jaren door het weer volledig is verdwenen.

F. Stèle 1

Op deze grootse stèle staat de heerser Chan Muwan II afgebeeld tijdens het hoogtepunt van zijn macht. Zijn macht wordt niet alleen uitgebeeld door de manier waarop hij staat afgebeeld, maar ook door de stèle zelf. Het moet namelijk ongelooflijk moeilijk zijn geweest om deze grote maar dunne stèle op zijn plaats te krijgen. Met zijn 6,5 meter is deze stèle een van de grootste stèles van de Oude Maya's. Chan Muwan is afgebeeld met een ceremoniële staf in zijn handen. Chan Muwan staat op een aardmonster. Vanuit het gezicht van dit wezen verschijnen twee gezichten van de jonge maïsgod. De hiërogliefen onder Chan Muwan verwijzen naar zijn afkomst, op een ander hiërogliefenblok is het embleemglief van Bonampak te herkennen. 

G. De Akropolis

De akropolis is gebouw op een natuurlijke heuvel en bestaat uit drie lagen. Op de eerste laag zijn de meest belangrijke bouwwerken gebouwd; helemaal links Gebouw 1 oftewel de Tempel van de Schilderingen; Gebouw 2 in het midden, die door zijn omvang geen massief dak gehad kan hebben en helemaal rechts Gebouw 3. De tweede laag bevat de meeste bouwwerken. Van rechts naar links bevinden zich hier Gebouw 4 tot en met 8. Net achter Gebouw 4 staat het iets hoger gelegen Gebouw 9 op een platform. Hierbinnen bevindt zich ene mooi bewerkte stèle. Rechts van Gebouw 9 bevindt zich Gebouw 10, waar alleen nog de muren van overgebleven zijn. De derde laag ligt net onder de top van de heuvel. Hier zijn funderingen te vinden van drie bouwwerken.

Er liggen ten minste drie kleinere Akropolissen begraven in de fundering van de huidige akropolis. Een monumentale trap leidt naar de eerste laag, terwijl een smale en steile trap naar de twee hogere lagen leidt. De Akropolis is in totaal zo'n 25 meter hoog.

H. Stèle 2

Op stèle 2 staat Chan Muwan II afgebeeld met twee vrouwen, voor hem staat zijn moeder en achter hem zijn vrouw Lady Rabbit van Yaxchilán. Op de stèle wordt ingegaan op het zelfopofferingsritueel. Ieder van de afgebeelde personen houdt objecten beet die gebruikt worden tijdens deze rituelen, zoals de stekel van pijlstaartrog en stukken stof om de bloeddruppels op te vangen. De aanwezigheid van een vrouw het naburige Yaxchilán duidt op de nauwe banden die de twee plaatsen met elkaar hadden.

I. Stèle 3

Stèle 3 toont Chan Muwan II. Hij wordt afgebeeld met zijn koninklijke hoofdtooi en in zijn hand een ceremoniële staf. Chan Muwan staat klaar om de voor hem geknielde krijgsgevangene te offeren aan de goden.  

J. Tempel van de Schilderingen

De Tempel van de Schilderingen, ook wel gebouw 1 of Wac Naab (zes zeeën), dateert van 790-792 n. Chr. Ooit was het bouwwerk zowel van binnen als buiten beschilderd, maar van de schilderingen op de buitenmuur is maar weinig bewaard gebleven. Onder de kroonlijst loopt nog een tekstrand die vermoedelijk om het hele gebouw heeft gelopen. De muurschilderingen zijn nooit helemaal voltooid waardoor het aannemelijk is dat de stad vlak na de muurschilderingen werd verlaten. De schilderingen zijn uitgevoerd in secco-techniek, dat wil zeggen dat de schilder op een droge kalklaag heeft gewerkt. Dit in tegenstelling tot een fresco, waarbij in de natte pleister- en/of afwerklaag wordt geschilderd. Een beschrijving van de drie vertrekken is opgenomen in de bovenliggende tekst.