Lacandon nederzettingen
De Lacandones hebben zich gevestigd in voornamelijk drie nederzettingen, te weten Nahá en Mensäbäk in het noorden en Lacanhá Chansayab in het zuiden.
Nahá
Het
dorpje Nahá ligt aan het gelijknamige meer op 820 meter
hoogte, circa 50 kilometer ten westen van de Usumacinta rivier en
55 kilometer ten oosten van de regionale hoofdstad Ocosingo. Het
dorpje telt zo’n 200 inwoners. Tot nu toe is het de
missionarissen niet gelukt om de inwoners van Nahá tot het
Christendom te bekeren. Nahá is daardoor de meest
traditionele gemeenschap van de Lacandones. Het oorspronkelijke
geloof, de daarbij behorende ceremoniën, het vervaardigen van balché
en polygamie behoort voor enkelen nog tot de dagelijkse realiteit.
De
laatste jaren is er echter veel veranderd, zo werden in 1993 de
eerste elektriciteitskabels aangelegd, waardoor sommigen nu lampen
en een televisie bezitten.
De
bewoners van Nahá erkennen het bestaan van Christus (door
hun Hesuklistos genoemd) wel, maar zien hem als een lagere
godheid en als zoon van Äkyantho’, de god van de
buitenlanders en hun spullen.
Door het kappen van het nabijgelegen woud wordt het de bewoners tegenwoordig onmogelijk gemaakt om tijdens de jacht nog voldoende te vangen en is het verzorgen van hun akkers, door het uitgeputte land, een bijna onmogelijke taak. Het culturele erfgoed blijkt echter bestand te zijn tegen deze problemen, mede dankzij wijlen Chan K’in Viejo, die er jaren lang voor zorgde dat de houtkapbedrijven geen toestemming kregen om de mahonie bomen nabij Nahá te kappen.
Chan
K’in Viejo leefde van
circa 1900 tot 23 december 1996. Hij was de t’o’ohil
(‘De Grote’) van Nahá. De t’o’ohil is de
specialist betreffende het spirituele, bewaker van de tradities en
verteller. Hij is de autoriteit met betrekking tot mythologie,
kosmologie, rituelen, droom interpretatie en geschiedenis.
Chan
betekent ‘kleine’ en K’in staat voor ‘zon,
profetie, profeet’, Nahá betekent Groot Water en dus kan
zijn naam vertaald worden als Kleine Profeet van het Grote Water.
Hij was de oudste zoon van de vorige t’o’ohil, Bol
Kasyaho.
Als
hem gevraagd werd of hij de t’o’ohil was ontkende hij
dit. Hij zei dan dat er vandaag de dag geen t’o’ohil
meer is, maar dat deze er wel waren in zijn grootvaders en vaders
tijd en dat zij helderziend waren en met de goden konden spreken
(de stem van een god klonk als het hoge gezoem van een bij).
Iedere Lacandon van Nahá of Mensäbäk gaf
echter aan dat Chan K’in de t’o’ohil van Nahá
was.
Chan
K’in
stond bekend om zijn helderziende krachten (kinyah). Hij
had de gave een gebeurtenis weer te geven die nog moest gebeuren.
Omdat
de Lacandones geen schrift hebben, wordt de stamboom van Chan
K’in na enkele voorvaderen al onduidelijk. Het is onder de
bewoners van Nahá echter algemeen bekend dat Chan
K’in een directe afstammeling was van de koningen van
Palenque, een belangrijke stad in de tijd van de Oude Maya’s,
dat eens geregeerd werd door Pakal de Grote.
De
eerste herinnering van een blanke die Chan K’in had, was
van Don Alfredo (Alfred Tozzer) die aan het begin van de
twintigste eeuw de basis heeft gelegd van wat wij vandaag de dag
weten over de Lacandones. Chan K’in herinnerde Tozzer als
een vriendelijke man die veel respect voor de Lacandones had. Hij
herinnerde zich ook dat Tozzer alles opschreef wat hem verteld
werd. Soms haalden de Lacandones echter grappen met Tozzer uit:
“Als een van onze companen een leugen vertelde aan Don Alfredo
schreef hij dit op in zijn kleine boekje, en dan werd het waar.”
Chan
K’in
had ook een duidelijke mening over de missionarissen die de
Lacandones probeerden te bekeren tot het Christendom: “Ze zijn
erg serieus, ze drinken geen balché of bier, ze roken geen
sigaren en eten geen tamales of posol. Hachakyum [de
belangrijkste god] houdt niet van serieuze mensen die niet
drinken, niet roken of geen posol eten. Ik denk dat er iets
ontbreekt in hun hart en dat ze zichzelf volledig willen maken
door anderen net als hen te maken.”
Mensäbäk
(Metzabók)
Het
dorpje Mensäbäk ligt bij het gelijknamige meer aan de
voet van de Siërra Piedron op 550 meter hoogte. Op circa vier
kilometer afstand bevindt zich de hoofdweg naar El Tumbo. Het is
de kleinste nederzetting van de Lacandones. Het visrijke water
nabij het dorp zorgt voor een uitstekend voedsel aanbod.
Het
meer, dat vernoemd is naar de god Mensäbäk, is het
grootste van de drie met elkaar verbonden meren. De andere meren
dragen ook de namen van Lacandon goden: Ts’ibatnah
(Schilder van Huizen), de heer van de schilderkunst, en Ah
K’ak’ (Vuur Heer), de god van de jacht, moed en vroeger
ook de oorlog.
Mensäbäk huisvestte ooit een grote gemeenschap Lacandones, maar toen de missionarissen zich in de directe omgeving vestigden, vertrokken vele inwoners naar Nahá. Tegenwoordig huisvest Mensäbäk nog maar een kleine gemeenschap Lacandones.
Lacanhá
Chansayab
Lacanhá
Chansayab ligt langs de Lacanhá rivier op 250 meter
hoogte. Het plaatsje ligt 50 kilometer ten westen van de
Usamacinta rivier en 115 kilometer ten zuidoosten van Ocosingo. De
Siërra Cojolita ligt in het oosten en de Monte Azules loopt op 8
kilometer ten zuiden van de gemeenschap over in de Lacanhá
rivier en het Lacanhá meer. Deze grootste gemeenschap van
de Lacandones telt zo’n 500 inwoners.
Het
dorp ligt aan de rand van het Monte Azules reservaat, vlak bij de
ruines van Bonampak. Het is de meest zuidelijke gemeenschap. Hier
bevindt zich ook het nog ongerepte regenwoud met voldoende wild.
Hoewel
de Lacandones van Lacanhá nog op een traditionele wijze
leven, wordt hun traditionele geloof nog zelden in de praktijk
uitgevoerd. Een gele koorts epidemie aan het begin van de jaren
veertig van de twintigste eeuw was ervoor verantwoordelijk dat
vele ouderen, en met hen de oude tradities, stierven.
Na
de dood van Ceron, de laatste tah (leider onder de
zuidelijke Lacandones) van Lacanhá, werd het geloof niet
meer beoefend, tradities beperkten zich tot enkele vage
herinneringen en gedragsregels. Volgens de tradities had Jose
Pepe Chan Bol de taak van tah op zich moeten nemen,
maar om een onbekende reden deed hij dat niet. Dit werd opgemerkt
door de missionarissen en deze begonnen met vlijt hun missiewerk.
De Lacandones van Lacanhá
kwamen tot de conclusie dat het beter was om zich te
bekeren tot een nieuw geloof dan helemaal geen geloof te hebben.
Binnen korte tijd accepteerde Jose Pepe Chan Bol het nieuwe
geloof en functioneerde vanaf dat moment als predikant en leider
van Lacanhá. Zijn nieuwe functie binnen de gemeenschap was
in feite niet anders dan de taak die hij volgens de tradities had
moeten vervullen.
Een
van de eerste beperkingen die door de missionarissen werden
opgelegd was dat circa de helft van het traditionele wild en vis
niet meer gegeten mocht worden. Tevens werden alle soorten tabak
en alcoholische dranken verboden, inclusief de ceremoniële drank balché.
Een man mocht alleen nog zijn eerste vrouw behouden, de anderen
moest hij afstoten, ondanks het feit dat zij al vele jaren
gelukkig getrouwd waren. Chan K’in’s reactie op het
verbod van alcoholische dranken was: “Hoe kunnen missionarissen
zeggen dat de mens geen drank mag drinken als de goden als eerste
de drank hadden en de mens geleerd hebben hoe deze te maken? Ze
zeggen dat de drank een man luid en gemeen maakt, maar dat is niet
waar. Drank laat slechts zien hoe een man werkelijk is. De goden
verachten luid en gemeen, of iemand nou drinkt of niet.”
Het
merendeel van de Lacandones in Lacanhá is protestants. Ze
bezoeken een kleine kapel en zingen kerkliederen in hun eigen
taal. Een andere grote invloed op de kleine gemeenschap is de in
2000 aangelegde weg die Lacanhá op tien kilometer afstand
passeert. De weg moet van Bonampak een groot toeristisch centrum
maken. Het is nog maar de vraag wat de gevolgen hiervan zullen
zijn voor de Lacandones.