Mensäbäk
Mensäbäk
wordt ook wel Mansabak, Metzabók of Yum Känän Säbäk
genoemd. Bij de Pre-Columbiaanse Maya’s werd hij Chac genoemd. Zijn
naam is afgeleid van men (maken) en sabak (roet, zwarte poeder) en
betekent dus: ‘Maker van Poeder’. Hij is de god van de regen en de bliksem.
Bij de noordelijke Lacandones staat hij bekend als een belangrijke godheid, bij
de zuidelijke is hij vrijwel onbekend. Hij is niet altijd een goede god, vaak
wordt hij ervan verweten de oorzaak te zijn van verschillende ziekten. De zieken
proberen hem vervolgens tevreden te stellen door kopal voor hem te branden en
een pelgrimstocht te maken naar het meer waar hij woont. De zwarte poeder die Mensäbäk
maakt geeft hij aan zijn assistenten, de Hahanak’uh, die het vervolgens
over de wolken verspreiden en zo regen veroorzaken. In een andere versie niest
hij een grote hoeveelheid vocht uit zijn lange neus (die doet denken aan de Chac
maskers van de Oude Maya’s in het Puuc gebied). De pad is zijn boodschapper,
net zoals bij de Oude Maya’s. Mensäbäk is tevens de beschermer van de
overledenen, en neemt deze op in zijn huis. Mensäbäk creëerde de
Ladino’s, maar volgens sommige versies van het scheppingsverhaal creëerde hij
ook de blanke mens en alles dat hem toebehoort. Mensäbäk wordt
geassocieerd met de Ocosingo vallei en de ruines van Toniná en niet met Yaxchilán
zoals de andere goden.