Lacandon als bioloog
De
Lacandones beschikken over een uitgebreide kennis van de flora en fauna die hen
omringt. Deze kennis is echter voornamelijk aanwezig bij de ouderen binnen de
gemeenschappen. Zij bezitten niet alleen kennis over de verschillende planten en
dieren, maar ook over de relaties tussen deze twee. Zo geven de ouderen
bijvoorbeeld aan dat de chak ak’ (een klimplant) de papagaai (ah
kacho’) helpt omdat die de enige is die van zijn kleine fruit eet. Op zijn
beurt help de papagaai weer de klimplant door de zaden te verspreiden.
Vogels
worden over het algemeen ingedeeld in de categorie ch’ich’
(“vliegende dieren”). De perdiz (een patrijs, (sjakohoender) die niet kan
vliegen) en de papagaai zijn hierop uitzonderingen. De papagaai wordt in een
aparte categorie geplaatst vanwege zijn speciale relatie met de chak ak’.
Ook de vleermuis (sek) valt in een aparte categorie.
Er
zijn ook planten en dieren die geen relatie hebben met anderen. Van de dieren
zijn dit de jaguar, gordeldier, het muildierhert, de chachalaca (hoendersoort)
en de toekan. Van de planten zijn dit de mahonie, ceder, ceiba (kapok), amate,
de xate en chapay palmen en waterplanten.
Het
eten van grote zaden is schadelijk voor een plant, omdat op deze zaden gekauwd
moet worden, het eten van kleine zaden kan juist goed zijn voor een plant omdat
deze dan over een groter gebied verspreid worden.
De
oude generatie is ervan overtuigd dat wat dieren doen geen negatieve invloed kan
hebben op de natuurlijke omgeving, zij doen slechts datgene waar de scheppergod
hen voor heeft gecreëerd. De ouderen geloven ook in de evenwichtige relatie
tussen de mens en de natuur (zolang de Lacandones
gepast gedrag
vertonen), de jongeren zien deze relatie echter niet. Zij beschouwen de
mens en natuur als twee verschillende entiteiten. Als onafhankelijke entiteiten
kunnen dieren en mensen elkaar kwaad doen of helpen. Jonge Lacandones zijn dan
ook erg bezorgd over de invloed van de mens op het regenwoud.
Hoewel
ook de jongere generaties bij hun Tzeltal buren bekend staan als de mensen van
het woud (k’axil winik) is hun kennis duidelijk beperkter dan die van
de oudere generaties. Zo herkennen de jongeren minder relaties tussen planten en
dieren dan de ouderen. De oorzaak hiervan moet gezocht worden in het verdwijnen
van het regenwoud. Naarmate meer oppervlakte verdwijnt, neemt ook de
biodiversiteit in de omgeving af. Het is voor de jonge generatie onnodig kennis
op te doen over planten en dieren die niet meer in hun directe omgeving
voorkomen. Zo heeft, in tegenstelling tot de ouderen, geen enkele jonge Lacandon
ooit een jaguar in zijn natuurlijke omgeving ontmoet. Door de toenemende
bevolking in het Lacandon regenwoud, wordt het zelfs zeldzaam om een spinaap,
pecari of witstaart hert tegen te komen. Ook hebben de jongeren minder interesse
in kennis betreffende het regenwoud en landbouw omdat zij hun inkomsten
verdienen met de productie van souvenirs.
De oudere Lacandones zijn nog opgegroeid in een huishouden dat gescheiden lag van andere huishoudens. Doordat de Mexicaanse regering hen in de jaren zeventig van de twintigste eeuw toe bewoog in een van de drie gemeenschappen te gaan wonen, heeft de jongere generatie een sterkere sociale band met elkaar gekregen. Maar terwijl deze band sterker werd, verzwakte hun band met de natuur.